KNAW

Onderzoek

Predatoren narcismijt

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Predatoren narcismijt
Looptijd 2004 - onbekend
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1329723
Leverancier gegevens Productschap Tuinbouw

Samenvatting

In het project geïntegreerde gewasbescherming in amaryllis van LTO-Groeiservice worden commercieel verkrijgbare predatoren op effectiviteit tegen narcismijt getest en nieuwe predatoren gezocht. Omdat niet bekend is of de commerciële predatoren überhaupt tegen narcismijt effect hebben is dit project opgezet. Er zal eveneens een predator getest worden die regelmatig bij narcismijt op Amaryllis is gevonden maar nog niet commercieel verkrijgbaar is.
Voortgang/resultaten
De narcismijt, Steneotarsonemus laticeps, is een belangrijk plaagorganisme in de teelt van amaryllis. Deze mijten zijn zeer klein (ca. 200 µm) en behoren tot de familie van de Tarsonemidae (weekhuidmijten). Aantasting van bollen resulteert in beschadigde bloemen en groeireductie. Plantenweefsel met narcismijt vertoont een typische roodverkleuring.
Het doel van dit onderzoek was te onderzoeken wat de potenties van verschillende predatoren zijn voor bestrijding van narcismijt. Het onderzoek bestond uit twee delen. In het eerste deel is in het laboratorium het gedrag van verschillende predatoren bestudeerd en gekeken of ze in staat zijn zich te voeden met narcismijten. In het tweede onderdeel is in een kasproef gekeken of met predatoren verspreiding van narcismijt in amaryllis tegengegaan kan worden en in welke mate er bestrijding is.
In het laboratorium zijn de volgende predatoren getest: de roofmijten Neoseiulus (Amblyseius) cucumeris, Neoseiulus (Amblyseius) barkeri, Amblyseius andersoni (allen phytoseiiden), de bodemroofmijten Hypoaspis miles en Hypoaspis aculeifer en de roofkever Atheta coriaria. De geschiktheid van deze predatoren als bestrijder van narcismijt werd bepaald door in het laboratorium te observeren of gehongerde exemplaren een aangeboden volwassen narcismijt doodden. De drie phytoseiiden (N. barkeri, A. andersoni en N. cucumeris ) waren allemaal evenveel geïnteresseerd in narcismijt als prooi. Het aantal predatiepogingen verschilde bij deze soorten onderling niet. De roofmijt N. barkeri was echter significant meer succesvol in het doden van narcismijten. Het lijkt erop dat de grootte van de predator van belang is voor de effectiviteit als bestrijder van narcismijt. De predatie-efficiëntie was sterk gecorreleerd met de lichaamslengte van de predator. De veel grotere bodemroofmijten en roofkevers leken de aanwezigheid van narcismijten gewoonweg niet op te merken, terwijl grotere prooien in dezelfde test direct werden aangevallen en gedood. De grootte van de predator is niet alleen van belang voor de predatie-efficiëntie, maar waarschijnlijk ook erg belangrijk om op de plek te komen waar narcismijten zich verscholen houden, diep tussen de bolschubben.
In een aansluitende kasproef is gekeken of de twee roofmijten die het best presteerden in het laboratorium, namelijk N. barkeri en A. andersoni, daadwerkelijk in staat zijn narcismijt in amaryllisbollen te bestrijden. Voor dit experiment zijn met narcismijt besmette bollen tussen gezonde bollen geplaatst en werd de aantasting met narcismijt wekelijks gevolgd gedurende een periode van 18 weken. Met deze opzet kon bepaald worden in welke mate de roofmijten in staat zijn verspreiding van narcismijt vanuit de besmette bol tegen te gaan en of bestrijding in de bol mogelijk is. De kasproef bevestigde dat N. barkeri een betere bestrijder van narcismijt is dan A. andersoni. Bij A. andersoni werd uiteindelijk 70 procent van de bollen en 19 procent van de bladeren met narcismijt aangetast terwijl bij N. barkeri dit respectievelijk 45 en 4 procent was. De verwachting dat A. andersoni niet kan overleven in een amaryllisgewas bleek uit te komen. Bij een eindbeoordeling van bollen en grond werd deze roofmijt niet meer teruggevonden, terwijl een hoge dichtheid van 3x 1000 roofmijten/m2 was uitgezet. Het aantal teruggevonden roofmijten van N. barkeri was laag. Omgerekend werden aan het einde van de proef maximaal 80 roofmijten/m2 teruggevonden, terwijl twee keer 1000 roofmijten/m2 was uitgezet. De roofmijt N. barkeri had ook het meeste effect op andere aanwezige bodemfauna (mijten uit de groep van de cryptostigmata en astigmata). Daaruit kan afgeleid worden dat deze mijten als alternatief voedsel hebben gediend voor N. barkeri. Van alle in dit onderzoek geteste rovers lijkt N. barkeri het meeste perspectief te bieden voor de biologische bestrijding van narcismijt in amaryllis.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Contactpersoon D. Kraaijeveld

Classificatie

A21000 Landbouw en tuinbouw
D22500 Plantkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie