KNAW

Onderzoek

Biologische bestrijding appelbloedluis

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Biologische bestrijding appelbloedluis
Looptijd 2005 - 12 / 2007
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1330117
Leverancier gegevens Productschap Tuinbouw

Samenvatting

Beschrijving
Aantonen van een bestrijdend effect van Exochomus quadripustulatus op appelbloedluis onder praktijkomstandigheden. De bestrijding van appelbloedluis door Exochomus dient zodanig te zijn dat Aphelinus mali en oorwormen de aantasting door appelbloedluis tot eind augustus onder controle kan worden gehouden. Onderzoek moet kennis vergaren over de wijze waarop Exochomus toegepast dient te worden.

Resultaten
Eén van de stoffen die telers voor de bestrijding van Appelbloedluis gebruiken is pirimicarb. Deze stof is door de waterschappen als probleemstof aangemerkt. De drie belangrijkste biologische bestrijders van de appelbloedluis zijn het viervleklieveheersbeestje Exochomus quadripustulatus, de sluipwesp Aphelinus mali en de oorworm Forficula auricularia.

Aphelinus mali is vanaf eind april / begin mei in de boomgaard actief. Oorwormen zijn vanaf eind mei / begin juni in boomgaarden aan te treffen. Oorwormen worden echter op veel bedrijven steeds minder aangetroffen. Exochomus is actief vanaf begin maart bij temperaturen boven de 10°C. Door het eten van een luis van een kleine populatie kan de invloed op de ontwikkeling van appelbloedluis groot zijn.

In onderzoek in 2007 leidde het uitzetten van volwassen Exochomus rond half maart tot een minder sterke groei van de populatie appelbloedluis op één van de twee praktijkpercelen. Het uitzetten van Exochomus in het larve stadium gaf geen bestrijding van appelbloedluis. Op het tweede perceel was geen duidelijke bijdrage van de uitgezette Exochomus waarneembaar. Zonder pirimicarb te spuiten is op beide proefpercelen de appelbloedluis door natuurlijke vijanden onder controle gekomen. Op het ene perceel vooral door Exochomus, zweefvliegen en oorwormen en op het andere perceel vooral door lieveheersbeestjes, zweefvliegen en de sluipwesp Aphelinus mali.

Op het eerste proefperceel zijn geen bespuitingen met minerale olie, Pirimor of TEPPEKI uitgevoerd. Op het tweede proefperceel is minerale olie en TEPPEKI gespoten en op een deel van het proefperceel Pirimor, maar deze laatste bespuiting bleek achteraf niet nodig te zijn geweest.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Contactpersoon J. Vink

Classificatie

A21000 Landbouw en tuinbouw
D22500 Plantkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie