| Bij de keuze van de juiste behandeling van COPD gaat de huisarts of longarts veelal af op de ernst van de ziekte zoals die naar voren komt uit de longfunctie (FEV1-waarde) en de mate van benauwdheid van de patiënt. In de praktijk blijken deze waarden echter maar matig verband te houden met de kans op exacerbaties (tijdelijke ernstige toename van de benauwdheidsklachten) en met de kwaliteit van leven zoals de patiënt die ervaart. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de mensen met COPD te voorzichtig wordt behandeld, terwijl de behandeling bij andere patiënten de behandeling best wat minder zou kunnen. Doel van dit project is een methode te ontwikkelen aan de hand waarvan de behandelend arts op een betrouwbare manier kan inschatten hoe de ziekte zich bij de individuele patiënt de komende tijd zal ontwikkelen. Met name hoe groot het risico de komende tijd is op het optreden van exacerbaties. Op grond van zo n voorspelling kan de behandeling desgewenst tijdelijk lichter of zwaarder worden gemaakt. De onderzoeker denken zo n methode te kunnen ontwikkelen door bij zowel in Nederland als Zwitserland 220 COPDpatiënten twee jaar te volgen. In die tijd verzamelen ze van hen zoveel mogelijk gegevens over het verloop van de ziekte, het medicijngebruik, lichamelijke gegevens als de longfunctie, het aantal exacerbaties en ziekenhuisopnames, de kwaliteit van leven enzovoort. In al die gegevens zoeken zij vervolgens naar een combinatie van patiënkenmerken die een goede voorspelling geeft over de kans op de korte termijn exacerbaties te ontwikkelen. Dit moet uiteindelijk leiden tot een vooral voor huisartsen gemakkelijk te gebruiken methode waarmee voor iedere individuele COPD-patiënt de behandeling steeds op maat kan worden gemaakt. |