| Sinds de zomer van 2005 beschikt Theater Instituut Nederland over een database die een volledig overzicht biedt van alle professionele theaterproducties die sinds 1940 in Nederland te zien zijn geweest. Die database ook internationaal gezien uniek in zijn soort - biedt ongekende mogelijkheden om onderzoek te gaan doen naar het repertoire van een natie. Om te beginnen stelt die database ons in staat om de grote bewegingen binnen het na-oorlogse Nederlandse theater in kaart te brengen. Wat mij daarbij in de eerste plaats interesseert is de vraag hoe het (toneel)repertoire er sinds 1945 heeft uitgezien en welke verschuivingen er in de loop van zestig jaar zijn waar te nemen. In concreto gaat het hierbij om vragen als hoeveel toneel is er nu eigenlijk gemaakt, de afgelopen decennia? Hoe verhouden de verschillende genres zich tot elkaar? Waar haalden Nederlandse theatermakers hun stukken vandaan? Hoe is de verhouding nieuw geschreven stukken versus canon al die jaren geweest? En hoe verhielden de stukken van eigen, Nederlandse makelij zich tot het buitenlandse repertoire? Als het overall beeld duidelijk is, wordt het vervolgens mogelijk om de belangrijkste, na-oorlogse gezelschappen in dit landschap te positioneren. Zo zou ik de vraag wel eens definitief beantwoord willen zien of de Haagsche Comedie inderdaad veel lichter repertoire speelde dan de Nederlandse Comedie? En natuurlijk ben ik nieuwsgierig naar de definitieve top honderd van de meest gespeelde schrijvers en de meest gespeelde stukken (en de meest gedanste/gezongen choreografen/opera- en musicalcomponisten). Deze repertoire-analyse biedt vervolgens de mogelijkheid om een serieuze poging te doen het Nederlands toneel in een veel bredere cultureel-maatschappelijke context te plaatsten. Het theater dat hier gedurende al die jaren gemaakt is zou hoe dan ook toch iets duidelijk moeten maken over de samenleving waarin het functioneerde. Wisselingen in repertoire zijn de voorbode (?), het gevolg (?) of een afspiegeling (?) van veel bredere culturele omslagen. Betekenisvol zouden dan met name die stukken zijn die anno 2004 al lang uit ons theatrale geheugen verdwenen zijn. Immers, als het waar is dat in het werk van de grote, klassieke schrijvers eeuwige waarden tot uitdrukking komen, dan is het ook waar dat het werk van de mindere goden iets duidelijk maakt over de waarden die specifiek met een bepaalde periode verbonden zijn. In dat licht zou het dus goed zijn om niet alleen over de hele periode van zestig jaar te kijken naar wie de populairste schrijvers, wat de populairste (soort) stukken zijn geweest, maar om dat ook per periode van vijf jaar te doen, of per decennium. |