| Uit zelfbeheersing of discipline, oftewel zelfcontrole komt ons vermogen voort om ons eigen gedrag te sturen. De Boer deed onderzoek onder werknemers, studenten en bij jongeren in jeugdzorginstellingen naar stop- en startcontrole. Stopcontrole helpt bij het laten van de dingen die je niet wilt doen, startcontrole helpt om te doen wat je wel wilt doen. Stopcontrole is het onderdrukken van gedrag dat we eigenlijk niet willen vertonen, zoals bij goede voornemens als stoppen met roken, geen vet eten of minder alcohol drinken. Als dit lukt, wordt het ongewenste gedrag niet uitgevoerd, we doen eigenlijk niets. Startcontrole stelt ons juist in staat om iets wel te doen, ook al vinden we het vervelend of moeilijk, zoals sporten, vroeg opstaan, de vuilnis buitenzetten of beginnen aan dat ene klusje dat al jaren ligt. Studenten met een hoge mate van stopcontrole drinken minder alcohol en roken minder, concludeert De Boer. Studenten met een hoge score op startcontrole studeren en sporten meer. Interessant was dat studenten met veel stopcontrole weliswaar minder negatieve gevoelens aangaven, maar studenten met hoge startcontrole juist meer positieve gevoelens. De Boer verklaart dit doordat het afleren van slechte gewoonten je niet per se blijer hoeft te maken, je hebt er alleen minder last van. Echt blij wordt je van het doen van die dingen die je echt zou willen doen, maar die je bijvoorbeeld moeilijk of eng vindt. De Boer breidde het onderzoek ook uit naar jongeren in een jeugdzorginstelling. Hier bleek vooral startcontrole relevant voor een betere gedragsbeoordeling door de begeleiders. Deze startcontrole werd op termijn verhoogd door het zelfbeeld dat de jongeren hadden. Hoe beter zij zich over zichzelf voelden, hoe meer zij in staat waren het goede te doen. |