| In mijn onderzoek staan drie katholieke meisjesgymnasia in de periode 1920-1968 centraal: Mater Dei in Nijmegen, Sint Theresialyceum in Tilburg en Fons Vitae (tot 1951 R.K. Lyceum voor meisjes) in Amsterdam. Het waren scholen voor meisjes, ge-leid door religieuzen, waar intellectueel onderwijs voorop stond. Waar van de katholieke jongensscholen algemeen wordt aangenomen dat ze op gymnasia werden opgeleid om de toekomstige leiders van het land te worden, zijn de vormingsidealen van deze meisjes dubbelzinniger. Zij kregen een degelijke scho-ling die hen voorbereidde op het staatsexamen en meestal gingen de meisjes ook naar de universiteit. Daarnaast werd er, net zoals op vergelijkbare scholen voor jongens, volop gesport en was er veel aandacht voor culturele activiteiten. Maar voor meisjes golden wel andere normen dan voor jongens. Lange tijd was het vanzelfsprekend dat studentes hun studies afbraken als ze een geschikte partner hadden gevonden en ook op school werden de activiteiten op meisjes afgestemd. Zo was de sportcultuur op Ma-ter Dei in het interbellum vooruitstrevend, maar had deze duidelijk een ander karakter had dan de mannelijke sportcultuur zoals die op het nabij gelegen jongensinternaat Canisius werd beoefend. Waar jongens prijzen konden winnen als ze uitblonken in sport, werd meisjes bijgebracht dat samenwerken het belangrijkste winstelement was. Door middel van archiefonderzoek, interviews en vragenlijsten bestudeer ik hoe het proces van katholieke intellectuele elitevorming op deze gymnasia plaatsvond. Daarbij kijk ik voornamelijk naar de manier waarop katholiciteit seksespecifiek door-werkte in vormingsidealen, onderwijscurriculum en schoolcultuur. |