Exclamativity in discourse


Update content

Title Exclamativity in discourse
Period 11 / 2008 - 06 / 2014
Status Completed
Dissertation Yes
Research number OND1334114
Data Supplier NWO


Verbal communication involves more than the interchange of what we know of the world. The information expressed by natural language sentences is almost always qualified. When we communicate, we constantly provide clues about the origin, certainty and level of precision of what we assert. There is an emerging recognition that this is a fundamental property of language. Utterances are inherently multidimensional: Apart from providing information, they impart information about the provided information. Predication is language's most essential vehicle for communication and it comes with one of the most common sources of qualification: gradability. Predicates like "tall" are gradable in the sense that they are not simply true or false of an individual, but can be said to hold to a degree. Apart from being plain tall, one can be "very tall", "extremely tall", etc. This is usually thought to be an exceptional property, associated with a specific class of adjectives and a small set of specialised degree operators. However, this project is motivated by the idea that gradability is a general feature of predication. As a result, the proposal is to study gradability from the broadest possible perspective by investigating all forms of grading, including cases that lack the use of specialised degree vocabulary, as e.g. (1). (1) Jasper is an unbelievable nerd. The broad scope of gradability necessitates a move away from a purely semantic view on degree modification. In fact, this project takes it that degree is best studied as a phenomenon with both a semantic and a pragmatic base and that, as such, it should be connected to the question of how and why people communicate non-absolute information. As a result the project provides the opportunity to connect semantic theories of predication to theories of the use of vague and qualified language.

Abstract (NL)

De zin Wat een lekker toetje heeft Jan gemaakt! is een voorbeeld van een zogenaamd wh-exclamatief. In de literatuur worden zulke zinnen vaak bestudeerd vanuit een semantisch perspectief. Dat wil zeggen dat er verschillende theorieƫn bestaan die beschrijven wat de betekenis van zo n zin is. Er wordt echter niet gekeken naar hoe het gebruik van zo n zin de context verandert. Het effect van het gebruik van een exclamatieve zin wordt vaak beschreven met het woord exclamatie , dat in de literatuur verder niet formeel gedefinieerd wordt. Het doel van dit proefschrift is om het exclamatieve effect op de context formeel te definiƫren. Chernilovskaya benadert dit vanuit een discourse-perspectief. Haar basishypothese is dat we, door te kijken naar de context waarin een wh-exclamatief gebruikt wordt, nieuwe dingen kunnen leren over het exclamatieve effect op de context. Het onderzoek concentreerde zich op wh-exclamatieven, omdat dit prototypische exclamatieven zijn, maar de conclusies en methodologie zijn te generaliseren naar andere soorten exclamatieven. Chernilovskaya bestudeerde de discourse-eigenschappen van zinnen met wh-exclamatieven op basis van data uit het corpus van het actueel Amerikaanse Engels (Corpus of Contemporary American English), in plaats van door naar zelfbedachte voorbeelden te kijken. Vervolgens geeft ze een formele definitie van het exclamatieve effect op de context op basis van deze discourse-eigenschappen. Een discourse-perspectief op de vraag welk effect het gebruik van een bepaalde soort zinnen heeft op de context, is innovatief en opent nieuwe richtingen voor het bestuderen van verschillende taalhandelingen.

Related organisations

Related people

Supervisor Prof.dr. H.E. de Swart
Co-supervisor Dr. R.W.F. Nouwen
Doctoral/PhD student Dr. A. Chernilovskaya

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation