| Dit onderzoeksprogramma zal de erfenis van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog op een nieuwe manier benaderen. In de Nederlandse geschiedschrijving over de bezettingstijd is altijd veel geschreven over wie goed en wie fout waren, en meer recent over welke grijstinten er ook allemaal bestonden. Dit onderzoeksprogramma wil op een andere manier te werk gaan. Het wil op een systematische manier de positie van voormalig fout Nederland in de samenleving onderzoeken en zo inzicht geven in de mechanismen van uitsluiting en integratie in het naoorlogse Nederland en de daarmee samenhangende ideeën van goed burgerschap . Hiertoe zijn drie projecten ontwikkeld. De eerste heeft een zeer duidelijk omgrensd thema en beoogt te resulteren in een dissertatie. De andere twee hebben zowel in tijd als thematiek een bredere en complexere invalshoek en zijn op postdocniveau. Een van de samenbindende elementen in het hele onderzoeksproject is de nadruk op de gezinnen (de voormalig nationaalsocialistische milieus) en niet alleen op de individuele daders . Zo krijgt ook de positie van bijvoorbeeld vrouwen en kinderen aandacht. Het gaat dus niet meer zozeer om juridische schuld, maar juist om de maatschappelijke omgang met vragen van schuld en verantwoordelijkheid. Boete, verzoening en slachtofferschap komen zo in hun maatschappelijke context te staan. Een ander samenbindend element is het thema van integratie en burgerschap: in alle drie de projecten wordt geanalyseerd hoe de verschillende actoren dachten over wat kenmerkend was voor een goede burger en aan welke eisen deze foute milieus dus moesten voldoen om weer deel te kunnen uitmaken van de samenleving. De wisselwerking tussen de ideeën binnen bijvoorbeeld reclassering, kerk, media en overheid aan de ene kant en die van personen uit foute gezinnen aan de andere kant staat dan centraal. Het laatste gemeenschappelijke element is de aandacht die in elk van de onderzoeksprojecten besteed wordt aan de internationale vergelijking. Het eerste project is een vergelijking tussen Nederland en België; de andere twee plaatsen Nederland in de context van meerdere omringende landen, zoals naast België ook Frankrijk, Denemarken en Noorwegen. Het eerste deelproject houdt zich bezig met de fysieke uitsluiting van de collaborateurs. Het functioneren van de interneringskampen die direct na de bevrijding in Nederland en België werden opgericht, wordt vergeleken om een gedifferentieerd inzicht te krijgen in het dagelijkse leven en de specifieke ervaring die daar werd opgedaan. Deze ervaring zal later van invloed zijn bij de terugkeer in de samenleving. In de jaren 50 en 60 zijn de ex-politieke delinquenten en hun gezinnen teruggekeerd in de Nederlandse samenleving. Het tweede project onderzoekt hoe dit complexe en dynamische proces van integratie en uitsluiting verliep, hoe voormalig politieke delinquenten en hun gezinnen een strategie bepaalden en welk beleid de overheid en maatschappelijke organisaties volgden. Het laatste project besteedt aandacht aan de nakomelingen van NSB-ers en SS-ers die zich vanaf de jaren 70 presenteren als één van de oorlogsslachtoffergroepen en hoe deze groep langzamerhand opgenomen werd in het stelsel van psychische hulpverlening en daarmee de herinnering aan de bezetting. Alle drie de projecten zullen gebruik maken van grotendeels nog niet eerder bestudeerd (archief-)materiaal: het eerste project zal de archieven van de interneringskampen als belangrijke basis hebben, het tweede en derde project richten zich behalve op officiële bronnen van maatschappelijke en overheidsinstanties voor een aanzienlijk deel ook op oral history, nieuw verzamelde persoonsarchieven en bovendien de aandacht voor de erfenis van de collaboratie in de media. Tot slot zullen drie synthetiserende artikelen, twee internationale conferenties een bij de start en een aan het eind en een publieksbijeenkomst in de loop van de onderzoeksperiode zorgen voor de inbedding van het programma in zowel het wetenschappelijke als het publieke debat. |