KNAW

Onderzoek

Breinaald

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Breinaald
Looptijd 10 / 2007 - 09 / 2008
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1336230

Samenvatting

Doel
Het projectdoel is te zoeken naar één of meer relevante analytische kaders die de activiteiten van wetenschappers in gebiedsprocessen kunnen ondersteunen. Onze aanname is dat deze theorie van waarde is voor de groeiende groep onderzoekers binnen Wageningen UR die proberen de kloof tussen het wetenschappelijke domein en de gebiedspraktijk te overbruggen.

Werkwijze
Het onderzoeksteam is begonnen met het naast elkaar leggen van verschillende theoretische benaderingen van kennisproductie en kennisgebruik. De gebruikte theoretische modellen zijn:

- Dreyfus model van vaardighedenverwerving (skill acquisition): een model op het niveau van individueel leren. Het model verklaart hoe zowel onderwijs als praktijkervaring bijdragen tot een steeds hoger expertise-niveau. In een groeiproces van novice, advanced beginner, competent professional, proficient professional naar expert gaat een persoon een situatie steeds minder als een chaotische verzameling losse factoren zien en steeds meer als een complex geheel, waarin slechts een paar stuurvariabelen van belang zijn.
- Caluwé model gekleurd denken over verandering: het model is bedoeld voor adviseurs in verandertrajecten. Door middel van vijf kleuren worden vijf rationaliteiten onderscheiden: Blauwdruk denken werkt op basis van rationele analyse en planmatige implementatie; Rooddruk denken zet in op de motivatie van mensen om het best denkbare resultaat te bereiken; Geeldruk denken gaat uit van belangenstellingen en machtsspel; Groendruk denken legt de nadruk op leerprocessen; Witdruk denken stimuleert een prettige mate van chaos en creativiteit.
- Kennisarrangementen model: het model komt voort uit onderzoek naar manieren om kennistoepassing te verbeteren. Men spreekt van een kennisarrangement als er sprake is van diverse activiteiten om kennis te creëren, te delen en te benutten door samenwerking tussen actoren. De indeling in drie basisvormen voor kennisarrangementen: Kennisdoorstroom: expliciete, gecodificeerde kennis (informatie) wordt overgedragen van een zender naar een ontvanger; Kenniscirculatie: actoren wisselen kennis uit in een interactief proces tot wederzijds voordeel; Kennisco-creatie: De interactie tussen verschillende soorten actoren moet leiden tot nieuwe inzichten en oplossingen.
- Coherentiecirkel als model voor het interactieproces: Dit model is gebaseerd op inzichten uit de groepsdynamica. In het midden van het model bevindt zich de vitale ruimte: hier is de interactie gezond . In het proces van inzet en afstemming zijn dominante interactiepatronen te herkennen: Ruil (is dit netwerk voor mij zinvol?); Uitdaging (welke positie kan ik hier innemen?); Ordening (hoe organiseren we ons?); en Dialoog (wat leren we van elkaar?).
- SLIM diagnostisch raamwerk voor effecten van sociaal leren: In het SLIM project (Social Learning for the Integrated Management and sustainable use of water) was het doel waterbeheerprojecten met elkaar te kunnen vergelijken in de voortgang die is geboekt op vier elementen: Instituties, Positie van stakeholders, Ecologische beperkingen en Facilitatie.

Deze modellen zijn voorgelegd aan projectleiders en opdrachtgevers van gebiedsgerichte kennisprojecten. Uit een lijst van 17 mogelijke casussen zijn met behulp van criteria 7 casussen geselecteerd. In elke casus zijn twee personen benaderd voor een interview. De geselecteerde casussen waren Kennistransfer Nationaal Bestuursakkoord Water; Zoutwinning Friesland; Duurzaam Waterbeheer/ DUWA Noord Brabant; Veelzijdig Platteland; Interreg-project BRANCH biodiversiteit Kent; EU natuur in Sibiu Roemenie; Competing Claims Great Limpopo Trans Frontier Conservation Area.

Resultaten
Geconcludeerd kan worden dat de theoretische modellen nuttige inzichten verschaffen over deelaspecten van gebiedsprocessen en de interactie tussen het wetenschappelijke en het praktijkdomein, maar dat ze ieder voor zich te statisch zijn om recht te doen aan de complexiteit van gebiedsprocessen. Een analystisch kader kan daarom niet bestaan uit één model, maar bestaat eerder uit een combinatie van verschillende modellen, waarbij de combinatie van modellen niet vaststaand is.
Tijdens interviews werden door de respondenten andere modellen aangedragen die ze zelf wel eens toepassen in gebiedsprocessen. Van de genoemde theoretische modellen lijken vooral bruikbaar:

- Maturana s model van kenniscreatie: Cognitie, perceptie, kennis, intenties/emotionele drive, en context als factoren die de kennisontwikkeling bepalen;
- Nonaka en Takeuchi s model voor knowledge generation: Een proces van impliciet naar expliciete kennis (en v.v.) in vier stappen, die je tijdens een gebiedsproces ook zou kunnen doorlopen;
- De leercyclus van Kolb: Met verschillende leerstijlen zoals conceptueel denken en learning by doing. Als je weet wat voor leerstijlen je in een groep kunt aantreffen kun je het gebiedsproces daarop aanpassen;

Uit de interviews blijkt dat wetenschappers in de gebiedspraktijk vaak verschillende rollen vervullen. Wanneer een wetenschapper welke rol vervult is wederom nauw verbonden met de context en de fase waarin een gebiedsproces zich bevindt. Het is ook verbonden aan de persoonlijke visie op wetenschap van de wetenschapper. De volgende rollen zijn geïdentificeerd:

- De objectieve speler die vooral een onafhankelijke positie dient in te nemen: de onderzoeker reikt onweerlegbare feiten aan, de doelgroep interpreteert en benut deze feiten wel of niet voor eigen doeleinden;
- De communicator die de doelgroep vertelt hoe zijn/haar eigen ontwikkelde (objectieve) onderzoeksresultaten in de praktijk toe te (moeten) passen;
- De bruggenbouwer tussen zijn/haar eigen ontwikkelde onderzoeksresultaten en toepasbare benutting door de common ( gewone ) burger (doelgroep), waardoor (in de laatste fase van het project/onderzoek) naast wetenschappelijke kennis nieuwe, toegepaste kennis ontstaat;
- De interactor die ruimte creëert voor co-creatie van de uiteindelijke onderzoeksresultaten door (in een middenstadium in het project/onderzoek) zijn/haar eigen conceptkennis te combineren met (ervarings-) kennis van de doelgroep;
- De facilitator die kennis ontwikkelt door kennis van de relevante betrokken actoren samen te brengen en te combineren (met of zonder inbreng van eigen specifiek ontwikkelde kennis, puttend uit wetenschappelijke ervaringskennis);
- De mediator die intervenieert tussen de betrokken actoren om tot gezamenlijke kennis te komen (zonder inbreng van eigen specifiek ontwikkelde kennis maar puttend uit wetenschappelijke ervaringskennis).

Het onderzoek gaf aanleiding tot veel discussie binnen de onderzoeksgroep. Hoofdpunten uit de discussie waren:

1. De interface tussen het traditioneel wetenschappelijke domein en het domein van kenniswerkers . Wetenschappelijke kennis wordt hoofdzakelijk geproduceerd binnen het wetenschappelijke domein, waar afspraken gelden over welke rol de wetenschapper heeft, hoe hij/zij onderzoek hoort te doen, wat betrouwbaarheid en validiteit betekent, hoe je communiceert met collegae, etc. Deze regels en normen zijn anders in het praktijkdomein. Daar heerst chaos en conflict. Er zijn diverse rollen als wetenschapper en deze kunnen veranderen in het proces.
2. Traditionele wetenschappers opvoeden versus in hun waarde laten. Moeten we traditionele wetenschappers in hun waarde laten of willen we ze opvoeden tot goede communicatoren en tot een meer constructivistische benadering, zodat hun effectiviteit in gebiedsprocessen vergroot wordt?
3. Constructie versus objectieve waarheid. Wetenschappers claimen weliswaar objectiviteit en waardevrijheid, maar in de wetenschapsfilosofie is dit punt al gepasseerd. Participanten aan processen maken er in hun strategieën gebruik van. Als het uitkomt dan wordt kennis objectief genoemd (bijvoorbeeld in een onderhandeling, of bij fondsverwerving) maar omgekeerd wordt kennis afgedaan als een constructie .
4. Verbindingen versus conflicten. Discussies over gebiedsprocessen nemen een focus op het streven naar verbinding of een focus op het leven van verschillen. Goede gebiedsontwikkeling is dan het gevolg van gezonde processen. Vanuit dit perspectief moet een wetenschapper ondanks zijn claim op waardevrijheid en onafhankelijkheid toch verbonden worden. Daartegenover staat een perspectief op verschillen en het laten bestaan van die verschillen. Gebiedsontwikkeling vanuit dit perspectief is een kwestie van onderhandelen en grenzenwerk .
5. Transactiekosten: deze zijn opgevat als de kosten die gemaakt worden ten behoeve van organisatie, communicatie en motivatie van gebiedsprocessen. In complexe interactieve processen waar stakeholders op vele manieren aan deelnemen is een duidelijke definitie van transactiekosten niet mogelijk. We verwachten globaar dat hiërarchische processen met een duidelijke scheiding van taken en rollen goedkoop zijn in de opzet van arrangementen, maar de kosten van kennisdeling en van motivatie van participanten zijn hoog. Horizontaal ingerichte processen zijn juist duur in de initiatie periode, maar is gezien kennisdeling en motivatie van participanten efficiënter.

Tenslotte zijn vier families van opvattingen over kennis onder­scheiden:

- Familie 1: Kennis als wetenschap: kennis wordt gelijkgesteld aan betrouwbare expertise op basis van wetenschappelijk onderzoek. Reproduceer­bare experimenten, expliciete methodiek, en beoordeling door deskundige vakgenoten als kwaliteits­borging zijn standaardeisen voor wetenschappelijk werk.
- Familie 2: Kennis als product: kennis wordt gezien als de vierde productiefactor, naast de klassieke factoren kapitaal, land en arbeid. In de kenniseconomie van nu wordt deze productiefactor van doorslag­gevend belang geacht. Er wordt verondersteld dat er een kennismarkt is met vraag en aanbod, onderzoekers zijn kennisproducenten, en financiers wensen hun kennisvragen beantwoord te zien in afrekenbare kennisproducten.
- Familie 3: Kennis als construct: kennis is een individueel construct. Iedereen maakt zijn eigen beelden van de werkelijkheid. In de wetenschapsfilosofie staat de constructivistische stroming lijnrecht tegenover het positivisme: objectieve representaties van de werkelijkheid bestaan niet. Elke wetenschappelijke uitspraak is gekleurd door impliciete opvattingen en overtuigingen, al was het maar door alle keuzes die zijn gemaakt in de selectie van onderzoeksmethoden.
- Familie 4: Kennis als vermogen: kennis wordt gezien als het vermogen om respons te geven op wat zich in de omgeving voordoet. Elk levend wezen heeft het vermogen om signalen uit zijn omgeving te ontvangen, daar een betekenis aan te geven en een respons te genereren. Voor duurzame gebiedsontwikkeling is het echter minstens zo interessant om te zien of mensen met hun onderlinge interactie in staat zijn om antwoorden te vinden waarmee zij hun gedrag in overeenstemming brengen met de ecologische draagkracht van hun omgeving.

Publicaties bij dit project zijn beschikbaar via deze Link

Samenvatting (EN)

Although regional development processes have a dynamic of their own, scientific knowledge is often called in for support. There is, however, no guarantee in such cases that the delivered science will be used or even appreciated by the stakeholders in an area. We assume that these problems can improve by the use of meta-knowledge: social scientific studies on knowledge production, knowledge use and learning processes.

Research objectives:
We made an inventory of theories and models that may be of use for scientists who try to contribute to regional development (the science workers ). The models were discussed in a number of interviews with such such science workers. Based on these interviews conclusions are drawn about what meta-knowledge is necessary to improve the use of science in regional development processes.

Results and products:
One main conclusion is that there are different views on the objectivity or subjectivity of different types of knowledge, and that this can be a hindrance in the communications

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Bovenliggende onderzoeksactiviteit(en)

Classificatie

A61000 Ruimtelijke ordening
D65000 Planologie

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie