| De landen tussen Vlie en Wezer waren in de late Middeleeuwen vrij van landsheerlijk gezag. Ze erkenden alleen de keizer maar keerden zich tegen elke graaf of hertog die direct macht wilde uitoefenen. Dat betekende dat er geen centraal bestuur kon ontstaan met een geweldsmonopolie, zodat de Friezen voor de handhaving van hun wetten op zichzelf waren aangewezen. Toepassing van beperkt geweld om rechtsaanspraken kracht bij te zetten werd daarbij geaccepteerd. We spreken in dit verband van een vetemaatschappij, waarin alles draaide om eer. Aan het einde van de vijftiende eeuw ontspoorde deze vetemaatschappij, wat leidde tot de vorming van twee elkaar uitsluitende partijen, de Schieringers en de Vetkopers. Eén daarvan riep uiteindelijk de Duitse hertog Albrecht van Saksen te hulp, die als tegenprestatie erfelijke erkenning als heer van Friesland eiste. Aan eeuwen van trots zelfbestuur door de Friezen kwam daarmee een einde. Matthijs Gerrits hoopt in een dissertatieonderzoek voorbij de tot nu toe tekort schietende verklaringen van het wezen en de ontwikkeling van de partijstrijd in Westerlauwers Friesland te komen. Daarbij staan de politieke elite van, en de strijd tussen de hoofdelingen centraal: hoe poogde zij hun eer en macht te beschermen en wat was de aard van hun conflicten? Van groot belang is verder de plaatsing in een breder kader. Duale partijstrijd was immers een wijd verbreid verschijnsel in laatmiddeleeuws Europa. De Friese casus zal daarom vergeleken worden met die van andere gewesten. |