KNAW

Onderzoek

Autonomie in de Nederlandse literatuur van de negentiende en twintigste eeuw

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Autonomie in de Nederlandse literatuur van de negentiende en twintigste eeuw
Looptijd 02 / 2010 - 02 / 2014
Status Lopend
Dissertatie Ja
Onderzoeknummer OND1342202
Leverancier gegevens Website Huizinga Instituut

Samenvatting

Het beeld van de literaire auteur als een geniaal individu is niet tijdloos. Hoewel al in de Oudheid ideeën bestonden over de poeta creator , de auteur als een scheppend kunstenaar, kwam aan het einde van de achttiende eeuw pas de visie tot stand dat schrijvers autonome, geniale figuren waren. Het idee van de autonomie van de kunstenaar werd bijna tegelijkertijd filosofisch gedefinieerd (door Immanuel Kant in de Kritik der Urteilskraft, 1790) en in de praktijk gebracht (door Duitse romantici als Novalis). In het midden van de negentiende eeuw gaf de Franse dichter Charles Baudelaire een wending aan het debat. Hij presenteerde zich als de eerste dandy, die door een zorgvuldige vormgeving van zijn uiterlijk een kunstwerk van zijn eigen leven maakte. Bovendien verklaarde hij ook het domein van de kunst tot een autonoom gebied: zijn literaire werken werden voor hem een vrijplaats waarin hij zich van de burgerlijke moraal en wereldlijke wetten niets meer aan hoefde te trekken. Over de autonomie van de kunstenaar (in de Romantiek, het decadentisme of het modernisme) is in Engelse, Franse of Duitse studies al veel geschreven. Tot op heden ontbreekt er echter een overzicht van het denken over auteursautonomie in Nederland. Het begrip autonomie is de afgelopen jaren in de neerlandistiek wel veel gebruikt, maar op een weinig scherpe manier. Daardoor is de rol van de autonome auteur voor de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur in de negentiende en twintigste eeuw buiten beeld gebleven. In mijn studie onderzoek ik in hoeverre ideeën als die van Baudelaire door Nederlandse auteurs ten uitvoer zijn gebracht. Zijn er ook in Nederland schrijvers die hun eigen persona tot een kunstwerk maken en in hun literatuur een vrijplaats zoeken om zich uit te spreken? Verandert de beeldvorming van de autonome auteur door de decennia heen? Om deze vragen te beantwoorden, onderzoek ik auteurs die zich met hun romans, essays of polemieken en in hun publieke presentatie over deze kwestie hebben uitgelaten. Ik concentreer me daarbij op figuren uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw, onder wie Multatuli, Lodewijk van Deyssel, Menno ter Braak en W.F. Hermans. Hun ideeën worden geplaatst in het literaire debat van de periode waarin ze actief waren. Zo probeer ik zicht te krijgen op de grenzen en mogelijkheden van zich autonoom presenterende auteurs in een cultuur die door gemeenschappelijkheid en burgerlijke moraal gekenmerkt werd.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Promotor Prof.dr. G. Buelens
Projectleider Dr. F. Ruiter
Projectleider Dr. W.H.M. Smulders
Promovendus L.J. Ham

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie