KNAW

Onderzoek

Eiwit- en energieniveau in de vroege dracht in relatie tot second litter syndroom

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Eiwit- en energieniveau in de vroege dracht in relatie tot second litter syndroom
Looptijd 01 / 2009 - onbekend
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1342626

Samenvatting

Aanleiding:
Tweede-worps zeugen hebben vaak slechte reproductieresultaten; het zogenaamde tweedeworps syndroom . Dit uit zich met name in een lager afbigpercentage en/of een kleinere worp van tweede worps zeugen ten opzichte van eerste worps zeugen en in een korte levensduur van de zeugen. Het second litter syndroom hangt samen met het conditieverlies tijdens de zoogperiode, waardoor de kwaliteit en snelheid van follikelontwikkeling negatief worden beïnvloed. De veronderstelling is dat het eiwitverlies tijdens de zoogperiode met name voor 1e en 2e worps zeugen leidt tot problemen, omdat zij nog een sterke eiwitgroei behoefte hebben. Bovendien kan dit er toe leiden dat zij zo snel mogelijk na de lactatie de eiwitaanzet trachten te compenseren, wat ten koste kan gaan van embryonale overleving. Echter, in de praktijk worden zeugen de 1e maand van de dracht relatief krap gevoerd, omdat de voedernormen zijn gebaseerd op een geleidelijk herstel van conditie gedurende de gehele dracht en de groei van de biggen later in de dracht. Mogelijk zijn dus zowel de energie- als de eiwitgift te krap in de vroege dracht. Een te krappe eiwitgift verhoogt ook het percentage terugkomers bij jonge zeugen. Het eiwit- en vetverlies van zeugen tijdens de lactatie wordt ingeschat door zeugen te wegen, spekdikte te meten en de omvang van de karbonadespier te meten.
Het second litter syndroom kan mogelijk dus voorkomen worden door er voor te zorgen dat zeugen het verlies aan eiwit en vet tijdens de lactatie zo snel mogelijk in de dracht kunnen compenseren. Het second litter syndroom kan mogelijk ook voorkomen worden door jonge zeugen een week eerder te spenen zodat ze minder conditie verliezen tijdens de zoogperiode.

Doelstelling
Doel van het onderzoek:
- Nagaan of de slechte reproductieresultaten na de 1e en 2e worp het gevolg zijn van eiwitverliezen tijdens de lactatie.
- Nagaan of de slechte reproductieresultaten als gevolg van een negatieve energie/eiwit balans tijdens de lactatie te voorkomen zijn door een sneller herstel van conditie (eiwit+vet) van de zeugen tijdens daaropvolgende vroege dracht. Het snellere herstel wordt gerealiseerd door de zeugen extra eiwit of extra eiwit en extra energie te geven.
- Nagaan of slechte reproductieresultaten tijdens de 2de worp te voorkomen zijn door zeugen tijdens de eerste lactatie op 3 in plaats van 4 weken te spenen.

Probleemeigenaren:
Zeugenhouders en gesloten bedrijven zijn probleemeigenaar omdat het second litter syndroom op veel zeugenbedrijven voorkomt.
De mengvoerindustrie is probleemeigenaar omdat het second litter syndroom met de conditie en voeding van zeugen heeft te maken.

Hoe past het voorstel in de onderzoeksvisie varkenshouderij 2003-2010
Dit onderzoek sluit aan bij de onderzoeksvisie 2003-2010. Hierin is aangegeven dat de bedrijfsvoering continu wordt aangepast ter verbetering van het bedrijfsresultaat. Hierbij kijkt men onder andere naar reproductie en voeding van de zeugen.

Stand van zaken
Uit analyses van datasets afkomstig van de proefbedrijven Sterksel en Rosmalen, gedaan door leerstoelgroep Adaptatie Fysiologie van Wageningen Universiteit, blijkt dat de ontwikkeling van de gelt tussen eerste levens inseminatie en eerste keer spenen een belangrijke rol speel in de productie resultaten in de volgende worp(en). Gelten waarvan het gewicht toeneemt tijdens deze periode, i.e. die zwaarder zijn bij spenen dan bij dekken, hebben een grotere kans drachtig te worden en een kleinere kans op een kleine(re) toom in de tweede worp. Er werd ook een sterke negatieve correlatie gevonden tussen gewichtsverlies tijdens de lactatie en gewichtstoename tussen dekken en spenen, wat inhoudt dat gewichtsverlies tijdens de lactatie ook een erg belangrijke rol kan spelen in relatie tot de reproductieresultaten. Uit de analyses kwam ook naar voren dat, ondanks een goede voeropname, nog altijd 62% van de zeugen meer dan 10% afviel tijdens de lactatie (gemiddeld 12.6%). Uit verschillende studies (Clowes et al., 2003a; Thaker and Bilkei, 2005) komt naar voren dat als een zeug meer dan 10-12% gewicht verliest tijdens de lactatie dit de reproductie in de volgende worp negatief beïnvloedt. Eiwitverlies speelt hierbij waarschijnlijk de belangrijkste rol (Clowes et al., 2003a; Clowes et al., 2003b; Willis et al., 2003). Omdat de jonge zeug een sterke drang heeft om te groeien en eiwit aan te zetten, maar afvalt tijdens de lactatie, zal ze dit na de lactatie tijdens de vroege dracht proberen te compenseren. Daarvoor heeft ze echter voldoende eiwit en energie nodig uit voeding. Dit wordt geïllustreerd door een grote toename in terugkomers als er krap eiwit wordt gevoerd tijdens de vroege dracht, zoals gerapporteerd in de studie Fasenvoedering (Van der Peet-Schwering e.a., Praktijkrapport Varkens 39), waarin het percentage terugkomers bij pariteit 2 steeg van 13.8 naar 24.1%. Er is weinig goed onderzoek gedaan naar de effecten van verhogen van eiwit en energie giften tijdens de vroege dracht bij eersteworpszeugen. De voeradviezen voor zeugen zijn vaak gebaseerd op onderzoek met gelten en deze zijn niet toepasbaar voor zeugen. Doel van het onderzoek is om de effecten van energie en eiwitopname in de vroege dracht op reproductie en ontwikkeling van zeugen te bestuderen. Daarnaast wordt bestudeerd of eiwitverlies tijdens de lactatie (geschat met een eenvoudig uit te voeren nieuwe echografische methode) een risicofactor is voor het optreden van reproductie problemen en of juist deze risico zeugen met name gebaat zijn met een betere energie en eiwit voorziening tijdens de vroeg dracht of met een week eerder spenen.

Werkwijze : Projectplan:
Er wordt een proef met eerste en tweede worpszeugen uitgevoerd op PC Sterksel. In het onderzoek worden vier proefbehandelingen met elkaar vergeleken: 1) spenen op 4 weken, standaard voerniveau tijdens de eerste maand van de dracht; 2) spenen op 4 weken, 30% extra voer (30% extra energie en 30% extra eiwit) tijdens de eerste maand van de dracht; 3) spenen op 4 weken, 30% extra eiwit tijdens de eerste maand van de dracht; 4) spenen op 3 weken, standaard voerniveau tijdens de eerste maand van de dracht (De ingezette opfokzeugen worden 1 week later geïnsemineerd dan de andere zeugen waardoor ze 1 week later werpen. Vervolgens worden ze gelijk met de andere zeugen gespeend.)
De proefgroepen worden als volgt gevoerd in de eerste maand van de dracht:

De volgende gegevens worden verzameld:
- gewicht en spekdikte van de zeug en omvang van de karbonadespier bij werpen, spenen, bij verplaatsing naar de drachtstal, op 4 weken dracht en bij werpen;
- voeropname van de zeugen in de kraamstal en tijdens de dracht;
- worpgegevens (levend geboren, dood geboren en de individuele geboortegewichten) van de betreffende worp en eventueel nog van volgende worpen;
- toomgewicht bij werpen en spenen (op basis van individuele gewichten) en de voeropname van de biggen tijdens de zoogperiode;
- follikelontwikkeling bij spenen, bronstgegevens, afbigpercentage en percentage terugkomers;

De proef loopt 2 jaar in de stallen. In 2008 is de proef gestart. Begin februari 2010 wordt de proef afgerond in de stallen. In maart 2010 worden de resultaten gerapporteerd.

In 2008 is de proef gestart in de stallen. Tot nu toe hebben ca. 140 zeugen geworpen in de proef. De toomgrootte (totaal geboren) in de vier groepen is als volgt: controle 13,2 biggen, hoog voer 14,8 biggen, hoog eiwit 13,1 biggen en drie weken 13,2 biggen. De karbonadespier is goed te meten. Gemiddeld verliezen zeugen 6,5 mm in de kraamstal en komt er 3 mm aan tijdens de eerste 4 weken van de dracht. Er is nog geen verschil te zien tussen de vier proefgroepen. Begin 2010 wordt de proef afgerond in de stallen en worden de resultaten gerapporteerd.

Begeleiding:
De begeleiding van uit het PVV wordt verzorgd door de Commissie Varkenshouderij. Het project wordt samen met andere diergerichte projecten ondersteund door de PVV klankbordgroepen. Daarnaast wordt het project begeleid door een begeleidingsgroep die twee keer per jaar bij elkaar komt en waarin het PVV, LTO en NVV vertegenwoordigd zijn.

Resultaatverwachting:

Het project levert de volgende resultaten op:
- Het is duidelijk of de negatieve effecten van eiwitverlies tijdens de lactatie op de reproductie in de volgende worp, te verminderen zijn door zeugen in de vroege dracht meer eiwit of meer eiwit en energie te verstrekken of door ze een week eerder te spenen.
- Het is duidelijk wat het effect van een verhoogd eiwit en/of energieniveau in de vroege dracht is op de reproductieresultaten van zeugen met een normale conditie.
- Het is duidelijk of het meten van de omvang van de karbonadespier een beter en eenvoudig alternatief is voor het wegen en spekdikte meten van zeugen als het gaat om het monitoren van de conditie van de zeugen in relatie tot reproductie.

Kennisoverdracht: Kennisoverdracht zal plaatsvinden via een Nederlandstalig rapport, via een wetenschappelijk artikel, via artikelen in de vakbladen en via inleidingen. Deze worden ter goedkeuring voorgelegd aan de leden van de klankbordgroep dier.

Betrokken organisaties

Overige betrokken organisaties

Bond-KI
De Heus Voeders

Betrokken personen


Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie