KNAW

Research

Development of a technique for early detection of Trichoderma aggressivum...

Pagina-navigatie:


Update Research data


Title Development of a technique for early detection of Trichoderma aggressivum during phase 3 composting
Period 01 / 2010 - 12 / 2011
Status Current
Research number OND1343368

Abstract

Description:
The Dutch mushroom industry is having problems with the presence of Trichoderma aggressivum in batches of phase 3 compost. The symptoms are depicted in figure 1. These problems have started in springtime 2006. Currently, the presence of Trichoderma aggressivum in phase 3 compost cannot be detected. If phase 3 compost is delivered to the grower, the compost producer has no means of detecting whether the pathogen is present in the compost. At time of delivery to the grower, both infected and healthy mushroom compost look, feel and smell identical. Currently the compost producers neither have a method of preventing infection.

For the compost producers it would be valuable to have a method of early warning, that tells them whether they have an infected compost at their hands. For the mushroom growers it would be valuable to have a lower frequency of infected crops.

Research objectives:
The objective of this project is the development of a reliable method to detect the presence (or absence) of Trichoderma aggressivum in mushroom compost that is produced during phase 3 composting.

Results and products:
In comparison to a non-infected compost, a large number of characteristic volatiles are produced by Trichoderma aggressivum. Currently it is nog clear yet, which of these volatiles can most reliable be used as an indicator for the presence of the pathogen. For this a number of different isolates of the pathogen need to be compared, as well as a number of different batches of compost.

Abstract (NL)

Doel
Doel van het project is de ontwikkeling van een betrouwbare methode om de aanwezigheid of afwezigheid van Trichoderma aggressivum in doorgroeide champignoncompost vast te stellen tijdens fase 3 compostering.

Werkwijze
In de eerste fase van het onderzoek zal worden onderzocht of de verschillende isolaten van Trichoderma aggressivum die uit Nederlandse teelten werden geïsoleerd min of meer dezelfde vluchtige verbindingen produceren. Daarnaast zal worden gekeken of er grote verschillen zijn in de samenstelling van de vluchtige verbindingen die deze isolaten produceren op verschillende batches compost. Doel van dit deel van het project is vast te stellen of er vluchtige verbindingen kunnen worden geïdentificeerd die uitsluitend door Trichoderma aggressivum worden geproduceerd tijdens de fase 3 compostering. Deze vluchtige verbindingen kunnen dan als indicatormoleculen dienen.

In het tweede deel van het project zal op minstens één en mogelijk meerdere champignoncompost bedrijven tijdens de fase 3 compostering de proceslucht van bij een groot aantal batches (= tunnels) worden bemonsterd op aan- of afwezigheid van indicatormoleculen. De compostbedrijven zullen de teelten die champignonteeltbedrijven met deze batches compost uitvoeren volgen m.b.t. het ontstaan van problemen met Trichoderma aggressivum. Vervolgens zal gekeken worden of er een betrouwbaar verband kan worden gelegd tussen de aanwezigheid van één of meerdere indicatormoleculen en het ontstaan van problemen met Trichoderma aggressivum in het verdere verloop van de teelt. Indien er een betrouwbaar verband bestaat, kan in het tweede jaar van het project worden gewerkt aan de implementatie van de techniek op compostbedrijven.

Resultaten
In vergelijking met een niet geïnfecteerde compost worden doorTrichoderma aggressivum een groot aantal karakteristieke vluchtige verbindingen geproduceerd. Het is echter nog niet duidelijk welke van deze vluchtige verbindingen het meest betrouwbaar gebruikt kan worden als indicator voor de aanwezigheid van het pathogeen. Er is nog niet gekeken naar verschillen tussen verschillende isolaten van het pathogeen. Verder is nog niet gekeken naar de mogelijkheid dat verschillende batches compost een invloed kunnen hebben op het voorkomen van de verschillende vluchtige verbindingen.

Publicaties bij dit project zijn beschikbaar via deze Link

Related organisations

Related people

Researcher Dr.ir. F.C. Griepink
Researcher R. Mumm
Researcher Ing. A.J. Rutjens
Researcher Ing. G.M. Stoopen
Researcher Dr. C.H. de Vos
Project leader Dr. J.J.P. Baars

Related research (upper level)


Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation