KNAW

Research

BO-12.10-006.01 Robust animals

Pagina-navigatie:


Update content


Title BO-12.10-006.01 Robust animals
Period 01 / 2010 - unknown
Status Current
Research number OND1343577

Abstract (NL)

Doel
Robuustheid kan worden gedefinieerd als de verzameling eigenschappen die een dier fysiek en mentaal gezond houden. Een robuust dier kan veranderingen in de omgeving of ziektes beter opvangen (EL&I Nota Dierenwelzijn 2008). Naar meer robuuste dieren is een van de drie sectoroverstijgende speerpunten in het EL&I dierenwelzijnsbeleid voor de komende 15 jaar. In de Nationale Agenda Diergezondheid (2007-2015), van EL&I is het ontwikkelen van basale natuurlijke weerstand eveneens een speerpunt.

Robuuste, weerbare dieren zijn van groot belang omdat in de biologische landbouw minder kan worden bijgestuurd en wanneer de omgeving verandert de dieren zich daaraan moeten kunnen aanpassen (voeding, management, weer en klimaat). Daarnaast is -in de biologische landbouw- een belangrijk uitgangspunt dat dieren diereigen gedrag kunnen uitoefenen. In de praktijk betekent dit weidegang, uitloop, wroet- en scharrelmogelijkheden die al dan niet in de buitenlucht plaatsvinden. Biologisch gehouden vee komt meer dan regulier vee in aanraking met eigen mest en met de open lucht en daarmee met andere mogelijk schadelijke (micro)organismen en predatoren. Hierop moeten ze adequaat kunnen reageren. Daarnaast streeft de biologische veehouderij zoveel mogelijk naar preventie en naar zo weinig mogelijk gebruik van medicijnen. Dieren worden geacht tot op zeker hoogte zelf in staat te zijn bepaalde ziekteverwekkers aan te kunnen . Verder wordt aan diervoeding in toenemende mate eisen gesteld (gericht op verzading van en afleiding voor het dier, afkomst van het voer, percentage ruwvoer, geen synthetische aminozuren, enz.). Dieren die gefokt zijn op hoge productie kunnen niet altijd overweg met grote hoeveelheden ruwvoer, terwijl vanuit gedragsoogpunt het wenselijk is om meer ruwvoer en minder krachtvoer te verstrekken. Bij dit robuuste (ruw)voer hoort een robuust dier.

Tot nu toe worden vooral gangbare rassen en merken gebruikt die jarenlang eenzijdig op één of enkele productiekenmerken zijn gefokt onder geoptimaliseerde omstandigheden. Het is al langere tijd duidelijk dat deze dieren zich niet goed kunnen aanpassen aan de extensieve en meer grondgebonden biologische landbouw. Recent zijn in de gangbare en biologische veehouderij de eerste onderzoeken gestart die zijn gericht op robuustheid c.q. weerbaarheid van dieren. De ontwikkeling van passende rassen voor biologische omstandigheden in de hedendaagse commerciële fokkerijstructuur is tijdrovend en kostbaar en daardoor voor bestaande fokbedrijven minder aantrekkelijk. Er is een minimale omvang van een veestapel nodig om een nieuw ras commercieel te kunnen ontwikkelen. Het ontwikkelen van de rassen en de afzetzekerheid voor de te ontwikkelen rassen/merken is een lange termijn kwestie. En dat vergt investeringen op grotere schaal (Europees, mondiaal).

Ambitieniveau

. Er is voor elke diersector minimaal 1 robuust, biologisch ras of merk commercieel beschikbaar. D.w.z. dat het structureel beschikbaar op de markt is en een goede kwaliteit/prijsverhouding heeft.
. Er is inzicht in de mogelijkheden van bedrijfseigen fokkerij voor de vijf deelsectoren. Daar waar het kan wordt bedrijfseigen fokkerij toegepast.
. Er is een infrastructuur voor biologische fokkerij die wereldwijd aanzien heeft. Daartoe werken onderzoek, bedrijfsleven en praktijk nauw samen.

Werkwijze
In de pluimveehouderij wordt in 2010 een EU project uitgevoerd dat vanuit dit label mede wordt gefinancierd. Er wordt gezocht naar ideale leghennen voor de buiten uitloop houderij. Door een brede inventarisatie onder 100 bedrijven met uitloop in Nederland, Zwitserland en Frankrijk. enkele EU landen. Het betreft zowel gangbare als biologische bedrijven. Over en weer inspiratie o.b.v. de resultaten is daarmee een belangrijk aspect van dit project. O.b.v. de resultaten kunnen pluimveehouders participeren in het vervolgtraject om verder te zoeken naar ideaal genotype, voersamenstellingen te onderzoeken enz. In dit project zijn derhalve diverse actoren actief.

Ook in de varkenshouderij wordt in 2010 een EU project uitgevoerd dat vanuit dit label mede wordt gefinancierd. In dit nieuwe Europees onderzoeksproject (Low Input Breeding) wordt onder andere gekeken naar het ontwikkelen van een biologische zeugenlijn. Topigs trekt deze activiteit. In een parallel project wordt gewerkt aan het verminderen van de biggensterfte.

In de rundveehouderij wordt in 2010 het project Biofokkerij, dat in 2009 is gestart, voortgezet. Het betreft het analyseren/doorreken van low input fokprogramma s. Deze werkzaamheden zijn minder omvangrijk dan oorspronkelijk gedacht, i.v.m. het verminderde budget. Daarnaast vindt kennis-co-creatie met het netwerk van veehouders plaats. Ook in de gangbare veehouderij wordt meer en meer gezocht naar robuuste dieren die goed presteren in low input systemen. De communicatie van de resultaten van dit biofokkerij project is daarom ook gericht op gangbare doelgroepen.
Over de sectoren heen wordt ook het deel dat betrekking heeft op robuuste dieren van het project Verbetering welzijnsprestaties biologische veehouderij onder dit label gebracht. Denk hierbij aan robuuster varkensras dat ook beter smaakt. Of een robuuster legpluimveeras dat beter en diervriendelijker kan ruien.

Publicaties bij dit project zijn beschikbaar via deze Link

Related organisations

Related people

Project leader Ir. G. Migchels

Related research (upper level)


Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation