KNAW

Onderzoek

CDM deskstudie differentiatie P normen grasland

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel CDM deskstudie differentiatie P normen grasland
Looptijd 01 / 2011 - 12 / 2011
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1345883

Samenvatting

Doelgroep en kennisbehoefte
Een optimale invulling van het beleidsdoel P-evenwichtbemesting grasland , in de vorm van gedifferentieerde bemestingsnormen, is van direct belang voor overheden (realiseren beleid) en melkveehouders (beperken kosten, gevoel rechtvaardigheid door meewegen kwaliteit management). Indirect is het van belang voor het bedrijfsleven dat leeft van het melkveebedrijf.
Deze partijen willen weten of gedifferentieerde gebruiksnormen technisch mogelijk zijn en, indien ja, hoe ze in praktijk gebracht kunnen worden binnen randvoorwaarden met betrekking tot kosten en handhaafbaarheid.

Overheden: EL&I, VROM, I&M, Waterschappen
Deze willen dat beleidsdoelen m.b.t. de milieukwaliteit in agrarische gebieden zo zeker mogelijk gerealiseerd worden tegen zo laag mogelijk kosten en (mede daardoor) met een groot draagvlak bij agrariërs. Aangenomen wordt dat EL&I en VROM deze doelgroep vertegenwoordigen. Deze doelgroep is voor het project het belangrijkste.

Melkveehouders
Deze willen, binnen de milieubeleidsdoelen, zoveel mogelijk goed voer produceren tegen zo laag mogelijk kosten en met behoud van bodemkwaliteit. Melkveehouders willen dat bij de normstelling voor de P-bemesting van grasland als het kan wordt uitgegaan van de P-opbrengst van het grasland van het eigen bedrijf en niet van de gemiddelde opbrengst van het Nederlandse grasland.

Bedrijfsleven
Erfbetreders (onafhankelijke bedrijfsadviseurs, loonwerkers en vertegenwoordigers van voer- en meststofleveranciers) spelen een belangrijke rol bij de besluitvorming van melkveehouders en bij de verspreiding van nieuwe kennis en technieken.

Doelstelling project
De voorgenomen P-gebruiksnormen 2015 voor grasland zijn opgebouwd uit een forfaitair deel (een opbrengst van 90 kg fosfaat/ha/jr, overeenkomend met het gemiddelde van het Nederlandse productiegrasland op melkveebedrijven) en een bedrijfsspecifiek deel (een eventuele toeslag of korting op basis van een lage of hoge fosfaattoestand van de bodem).
Bedrijven kunnen structureel sterk verschillen in P-opbrengst van hun grasland. Dat kan het gevolg zijn van verschillen in bodem of waterhuishouding, maar ook van verschillen in het gebruik van het grasland of de kwaliteit van het management (de zorg voor het gewas). Het gevolg is dat bij een generieke bemestingsnorm op de meeste bedrijven niet de gewenste evenwichtsbemesting wordt gerealiseerd, maar dat over- of onder wordt bemest met mogelijk negatieve gevolgen voor milieu (verdergaande ophoping) of opbrengst (lager of kwalitatief minder dan nodig uit milieuoverwegingen; waardoor meer moet voer worden aangekocht). De P-kringloop is dan minder gesloten dan bij werkelijk gerealiseerde evenwichtbemesting. Bovendien kan een te beperkte P-voorziening van het gras de opname van N-meststoffen hinderen en daardoor leiden tot meer nitraatuitspoeling.
Tussen de Nederlandse overheid en het landbouwbedrijfsleven is afgesproken dat ten behoeve van een optimale bemesting van grasland er voor het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014-2017) bezien zal worden of differentiatie van fosfaatgebruiksnormen niet uitsluitend gebaseerd dient te worden op de fosfaattoestand van de bodem, maar ook op de gerealiseerde fosfaatopname door het gewas.
Het doel is zo goed mogelijk in beeld te brengen wat de gevolgen zijn van de indicatieve generieke normen (dus gebaseerd op een voor elk bedrijf gelijke P-opbrengst) voor het functioneren van een breed scala van melkveebedrijven. Dit functioneren betreft onder andere de kwaliteit van de N- en P-kringlopen. In aansluiting daarop wordt nagegaan welke voor- en nadelen er verbonden zijn aan een bedrijfsspecifieke normstelling voor P-meststoffen. Bovendien wordt nagegaan of een bedrijfsspecifiekere benadering in de praktijk technisch mogelijk en uitvoerbaar is (inclusief deugdelijke borging). We onderscheiden daarom 2 subdoelen (conform programma van eisen opdrachtgever):

1 Forfaitaire normen. Vaststellen of met de indicatieve forfaitaire fosfaatgebruiksnormen voor grasland voor de jaren 2014 en 2015, rekening houdend met de fosfaattoestand van de bodem, de gewenste graslandopbrengsten gerealiseerd kunnen worden. Welke effecten (opbrengstniveau s, voedingswaarden, ontwikkeling fosfaattoestand van de bodem, belasting oppervlaktewater) kunnen op de lange termijn verwacht worden indien de indicatieve fosfaatgebruiksnormen voor 2015 ook voor de daarop volgende jaren van toepassing zullen zijn? Hoe werkt een en ander door in de geslotenheid van de N- en P-kringlopen van het melkveebedrijf?

2 Bedrijfsspecifieke normen. Ontwikkelen van een systematiek waarmee op betrouwbare wijze op bedrijfsniveau de grasopbrengst kan worden vastgesteld en gerelateerd aan o.a. fosfaattoestand van de bodem en bemesting. Een degelijke systematiek dient bruikbaar te zijn om een bedrijfsspecifieke fosfaatgebruiksnorm vast te stellen. Welke voor- en nadelen zijn verbonden aan een dergelijke systematiek (landbouwkundige en milieukundige voor- en nadelen, betrouwbaarheid vaststelling, handhaafbaarheid, administratieve lasten)?

Relevantie project voor EL&I
De afspraak die tussen de Nederlandse overheid en het landbouwbedrijfsleven is gemaakt wordt correct nagekomen.

Aanpak en tijdspad
We onderscheiden 3 blokken werkzaamheden. Het eerste is vooral gerelateerd aan subdoel 1 (forfaitaire normen), het tweede en derde blok vooral aan subdoel 2 (bedrijfsspecifieke normen).
Blok 1. We brengen de fosfaatopbrengst van de laatste jaren van het gras- en maïsland van een aantal melkveebedrijven in beeld. Dat doen we door de gegevens van het Bedrijven-Informatienet (BIN) en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door te rekenen met de BedrijfsEigenP-productie (BEP)-systematiek die daarvoor door Koeien & Kansen (K&K) is ontwikkeld. Het gaat dus om berekende opbrengsten van bedrijven die samen redelijk de verscheidenheid van de melkveehouderij vertegenwoordigen. Voor de 16 bedrijven in K&K doen we hetzelfde, maar daarvan hebben we ook (deels) gemeten opbrengsten zodat we iets kunnen zeggen over de betrouwbaarheid van de berekende opbrengsten.
Voor een nog betrouwbaarder beter beeld van de opbrengsten zullen een aantal bedrijven in de loop van 2011 worden bezocht om de opbrengst visueel te schatten. Bij inkuilen zal de opbrengst worden gewogen. Er zijn loonwerkers met weeguitrustingen aan hun wagens, zodat te kuilen producten (grootste deel van de grasopbrengst en alle maïs) kunnen worden gekwantificeerd. Ook de kwaliteit wordt geanalyseerd en geprobeerd wordt relaties te leggen tussen opbrengst, fosfaattoestand bodem, bemesting (hoeveelheden maar ook technieken en tijdstippen), graslandgebruik en management. Er worden dus ook gegevens verzameld die (nog) niet in BIN/LMM verzameld worden.
Blok 2. De bedrijven in Koeien & Kansen bemesten in 2011 bedrijfsspecifiek, met de in eerdere jaren gerealiseerd Opbrengsten als basis. We kwantificeren de gevolgen voor de bedrijfsvoering (bemesting, voeding, voordelen mestscheiding), voor de P-kringloop (waaronder productie eigen voer, voeraankoop, excretie en mestafzet) en voor de bedrijfseconomie.

Blok 3. De systematiek BEP wordt verder ontwikkeld in twee richtingen:
1 De gewasopbrengst moet betrouwbaar gekwantificeerd worden met gegevens die vrij gemakkelijk beschikbaar zijn (liefst door koppeling met centrale databestanden van de Coöperatie Rundvee Verbetering (CRV), melkfabriek, voerleveranciers, Oosterbeek , overheid). De systematiek moet ook voldoende geborgd zijn en de effectieve controle moet zo min mogelijk kosten. Het verlengen van de Bedrijfsspecifieke Excretienorm (BEX) met de BedrijfsEigen P-productie (BEP) heeft tot gevolg dat ook BEX robuuster wordt. BEX en BEP corrigeren elkaar. Onderschatting van de excretie door een te laag voerverbruik wordt middels BEP vertaald in te lage gewasopbrengsten en daardoor tot te lage bemestingsnormen. Het ongekeerde geldt ook. Het samenspel van BEX (dierdeel bedrijf) en BEP (gewas-deel bedrijf) brengt de complete P-bedrijfskringloop in beeld.
2 Het moet een hulpmiddel zijn voor de veehouder om zijn management van bodem en gewas te verbeteren, met name ten aanzien van de bemesting en het graslandgebruik (betere benutting van meststoffen en hogere opbrengsten). De benutting van meststoffen en de opbrengst wordt in beeld gebracht en gerelateerd aan de waarden die bij goed management realiseerbaar zouden moeten zijn. De verwachte effecten van aanpassingen van het management worden door de tool gekwantificeerd.
Deze aanpak is vergelijkbaar met BEX (BedrijfsEigenExcretie). BEX berekent de bedrijfsspecifieke excretie maar BEX biedt de veehouder ook inzicht in de kwaliteit van zijn voedingsmanagement en geeft aanwijzingen hoe die te verbeteren.

Op 11 november 2010 wordt een dekundigendag gehouden om met een aantal vertegenwoordigers van de sector, beleid en advies- en onderzoekorganisaties de P- bemestingsnormstelling in de melkveehouderij te bespreken, inclusief een inschatting van de mogelijkheden en de voor- en nadelen van differentiatie op basis van de gewasopbrengst. We zullen de resultaten daarvan verwerken in de aanpak van dit project. De deskundigen zal gevraagd worden hun kennis beschikbaar te blijven stellen voor de uitvoering van dit project.

Koeien & Kansen is onderdeel van het Noordwest Europese INTERREG-project DAIRYMAN dat door Nederland wordt aangestuurd. Overwogen zou kunnen worden deskundigen uit andere landen te vragen kritisch mee te denken (soort begeleidingsgroep) of een internationale workshop te organiseren voor kennisuitwisseling (niet begroot).
Uiteraard vindt afstemming en samenwerking plaats met het Protocol fosfaattoestand bodem project van Philip Ehlert dat zich meer richt op de bodem en het perceel, en breder is wat betreft sectoren (project BO-12.7-006-003. het hier beschreven project richt zich vooral op het gewas en melkveebedrijf.
De Commissie van Deskundigen (CDM) wordt gevraagd kritisch te adviseren met betrekking tot de opzet van het project en betrokken te zijn bij de uitvoering, met o.a. als doe een goede afstemming met andere onderzoeksactiviteiten te bewerkstelligen.

Resultaten
De resultaten worden vastgelegd in rapporten. Concepten ervan dienen als input voor workshops met wetenschappers en vertegenwoordigers van de doelgroepen.
Er wordt een tool/systematiek (protocol) opgeleverd die voldoet aan de eerder genoemde specificaties.
Het uitgebreide nationale en internationale netwerk van Koeien & Kansen (K&K)/DAIRYMAN wordt gebruikt voor communicatie en de verspreiding van resultaten (voor zover door de opdrachtgever gewenst).

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Onderzoeker Ing. C.H.G. Daatselaar
Onderzoeker Ir. M.H.A. de Haan
Onderzoeker Ing. J. Oenema
Onderzoeker Dr.ing L.B.J. Sebek
Onderzoeker Dr.ir. C.M. Verloop
Projectleider Dr.ir. H.F.M. Aarts

Bovenliggende onderzoeksactiviteit(en)


Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie